De menselijke geest is van nature  onstandvastig, turbulent, sterk en hardnekkig en daarom zo moeilijk te beheersen. Een dergelijke geest is altijd extravert. Met een naar buiten gerichte geest kan de mens niet aan God denken. Om de geest te trainen en naar God te richten worden vele middelen beschreven in de geschriften. Eén van de meest effectieve is de Satsang. Zoals de naam suggereert is Satsang een combinatie van twee woorden: Sat en sang. Sat betekent Waarheid, die tijdloos en eeuwig is en het waargenomen universum ondersteunt. Sang betekent gezelschap. Satsang dus betekent gezelschap van de Waarheid, oftewel God.

Divyanamasankeertana, (luidop de oneindige glorie van de Heer bezingen) en gesprekken over spirituele onderwerpen zijn enkele van de belangrijkste en meest onafscheidelijke aspecten van Satsang. Deze zijn bedoeld om de steeds aarzelende geest op God te richten. Satsang wil ook zeggen, het gezelschap van Godmensen, Sadhu's en heiligen. Hun enige doel in dit leven is de mens op het pad naar God te leiden. Het is door deze heiligen dat het Goddelijk licht neerdaalt in een wereld van duisternis.

De geest van de deelnemer aan een Satsang geeft zijn talmende natuur op, tenminste op dat ogenblik en verwerft een, voor hem/haar tot op dat ogenblik, ongekende standvastigheid. Een dergelijke geest kan zonder inspanning op God gericht worden. Dan wordt de geest tijdelijk verankerd in "Sanyasayoga". Hij/zij neemt een soort van tijdelijke sanyasa aan of raakt onthecht van de uiterlijke wereld, hij/zij geeft zich over aan de Heer. "Sanyasayoga", verheerlijkt in de Shaastras (Geschriften) is dus ook een vorm van Satsang.